|
Vrijdag 16 augustus 2002
Strumse ontploft bijna, want waar hebben we anders een reservering voor? En erger, wat valt er in dit door God verlaten gat te beleven tot vier uur?? Om de boel te sussen vraag ik maar of de vuurtoren geopend is. Het meisje kijkt me aan alsof ik Chinees spreek in plaats van Engels. We besluiten tot vier uur te wachten en als we even later de heuvel beklimmen waarop de vuurtoren staat blijkt meteen waarom het meisje mij niet begreep. Van een vuurtoren is helemaal geen sprake. De heuvel waar hij op staat is hoog genoeg geweest om alleen de kop van een vuurtoren op te plaatsen. Hij is maximaal twee meter hoog. Van een rood-witte toren met een wenteltrap is geen sprake. (IJslandse vuurtorens zijn trouwens niet rood-wit, maar oranje.) Na een kwartier als windvaan boven op de heuvel gestaan te hebben, zijn we dermate afgekoeld dat alleen een kop gloeiendhete chocolademelk ons nog op de been kan houden. Gelukkig kent het haventje een gezellig cafeetje met uitzicht op de kleine vissersbootjes. In het cafeetje hangt een uiterst gemoedelijke sfeer. Eén meisje poetst het bestek op boven een dampende pan. Een ander meisje, net zo mollig en net zo jong, verwisselt staande op een keukentrap een lamp aan het plafond. De waard staat in de keuken uien te snijden en zijn vrouw leest ontspannen de Morgunblaðeð. Voor een van de raampjes staat een beeldje van een rokende zeeman en aan een tafeltje ernaast zitten twee magere Nieuw-Zeelanders ansichtkaarten te schrijven. Wij gaan hetzelfde doen. Wanneer de kok, zijn vrouw en de twee meiden gaan lunchen met een hoge stapels warme wafels met jam, wordt de vette lucht ons te gortig en gaan we op zoek naar het plaatselijke zwembad. Een zwembad is op IJsland een belevenis op zich. Hoewel is buiten slechts tien graden is, kent ieder gehucht van meer dan vijf boerderijen zijn eigen openluchtzwembad. De temperatuur van het zwemwater benadert de 30 graden. Verder bevinden zich naast het bad nog twee "hot pots", een van 37 en een van 39 graden. Als je op een knop drukt begint het water te borrelen. Jammer alleen dat het water de bekende moddergeur afscheidt. De twee uur durende vogelkijktocht brengt ons langs een aantal rotseilandjes in de Breiðafjörður. Voor het eerst van mijn leven zie ik een papegaaiduiker, waar op IJsland een hele toeristenbusiness omheen gebouwd is, want het eiland kent miljoenen broedparen. Papegaaiduikers triomferen op ansichten en boekjes, zijn te koop als knuffelbeest en staan op het menu in restaurants. De vrolijke beestjes met de kleurige snavel die pijlsnel over het wateroppervlak scheren zijn veel kleiner dan ik had gedacht. De Amsterdamse duif is drie keer zo groot. Verder zien we veel donzige meeuwenjongen die om voedsel krijsen. Bij het volgende eiland raakt iedereen op de boot in extase. Er wordt een zeearend gespot. Ik zie niks, maar mijn enthousiaste buurvrouw wijst mij op een zwart stipje in de verte dat blijkbaar de zeldzame zeearend voorstelt. Twee bruine jongen - die wel groter dan hun moeder lijken - zitten als stenen beelden in het gras. Onze kapitein meldt trots dat hij een speciale vergunning heeft om met zijn boot 5 minuten op 100 meter afstand van de zeearend te dobberen. Het beest is namelijk zeer beschermd. Ook zien we aalscholvers en zwart-witte vogels die sternen of visdiefjes zijn. Aan het einde van de vaartocht gooit de matroos een net uit en haalt na 5 minuten zo'n 50 kilo aan schaaldieren binnen. Lunchtijd. Tussen de talloze schelpen kruipen enkele verwarde krabben en kreeftjes en er liggen ook wat zeesterren. Een jochie plant pontificaal een mes in het hart van een zeester, dat zich daarna niet meer verroert. Rondom het galgemaal verdringt zich een man of 30 die zich te goed doen aan de verse schelpdieren. Er valt een krab op de grond. Angstig grijpt hij met zijn scharen om zich heen. Hij krijgt een schop van de zeesterrendoder en wordt dan onopvallend opgeraapt door een wat oudere man met baard die het beest overboord gooit en knipoogt naar zijn vrouw. Dezelfde dag
We eten op onze ongezellige kamer een cup-a-soup en wat broodjes. Dan gaan we naar bed, want we zijn bekaf. Op het prachtige uitzicht op de fjord met donkere in wolken gevangen bergen daarachter slaan we geen acht. Als we de volgende ochtend onze auto inladen krijg ik een vermaning van de jonge en serieuze eigenaar: "You walk with your shoes in the house!" Hoewel ik niet op modderige bergschoenen loop, maar gewoon op gympen zeg ik maar: "I won't do that again!". Ik heb toch mijn laatste tas al in de hand. |
||||
| |||||